In dit klassieke werk over het Europese kolonialisme onderzoekt de Tunesische schrijver Albert Memmi de psychologische effecten van het koloniale systeem.
In twee afzonderlijke essays beschrijft hij zorgvuldig hoe een samenleving gebaseerd op de onderdrukking van de ene groep door een andere, twee figuren met een gedeeld lot creëert: de kolonisator en de gekoloniseerde. Memmi laat zien hoe iedere kolonist een kolonisator wordt die zijn afkomst, waarden en verdiensten superieur acht aan die van de gekoloniseerde, en hoe de gekoloniseerde vervreemd raakt van zichzelf en zich constant spiegelt aan zijn onderdrukker.
Het boek verscheen in 1957, met een voorwoord van Jean-Paul Sartre, en vond meteen weerklank in kringen die zich inspanden voor de onafhankelijkheid van de Franse koloniën, maar ook ver daarbuiten. In het nawoord van de Nederlandse uitgave plaatst vertaler Esha Guy Hadjadj dit werk in de huidige tijd.