‘Mijn moeder dacht dat het oorlog was, niet bij wijze van vergelijking, maar in de bloedserieuze zin van het woord. Zij was gevangengenomen en werd nu door “de vijand” bewaakt. Hoe wij zonder kleerscheuren door de vijandelijke linies waren gekomen en haar hadden gevonden, was haar een raadsel.’
Van zeer nabij, met een precisie die liefde verraadt, beschrijft Cyrille Offermans de lotgevallen van zijn oude, dementerende moeder: hoe het begon, met vergeetachtigheid en wantrouwen, hoe moeilijk het is ermee om te gaan en hoe een opname onvermijdelijk werd. Hoe haar binnenwereld volledig desintegreerde, en het daarom nodig was de buitenwereld zo te beschrijven dat zij zich daarin zonder angsten kon terugvinden.
Offermans, die zijn moeder jarenlang heeft verzorgd, probeert haar schijnbaar betekenisloos geworden uitingen als zinvol en menselijk te duiden. Nu, twintig jaar later, laat hij zien hoeveel meer wij dankzij wetenschappelijk onderzoek en toenemende media-aandacht weten over deze ‘volksziekte’, en hoe we er anders mee om kunnen gaan.