Op het bureau in mijn werkkamer ligt een steen. Het is een grijs kinderkopje, niks bijzonders. Zo’n tien centimeter hoog, diep en breed en ik gok anderhalve kilo zwaar. Ik kan hem in elke willekeurige straat hier in Nederland achterlaten en het zou niemand opvallen, zo gewoon is dat ding. Een kassei om gedachteloos overheen te lopen. Een steen om een ruit mee in te gooien.
Zo begint de tekst waaraan Jessica van Geel werkte in opdracht van de Vrijheidscolleges. Terwijl ze schreef over verzetsstrijder Truus van Lier en de vraag die ze na afloop van lezingen over haar leven vaak krijgt - zou ik ook een Truus van Lier zijn als het erop aankomt? – kwam er een grote woede in haar op. Woede om de richting waarin de wereld zich – opnieuw - beweegt, aangevoerd door een president van het machtigste land op aarde die alle verworvenheden van de laatste halve eeuw met een enkele handtekening wegvaagt. Woede en angst dat als hij de letter T van de LHBTQ-gemeenschap doorstreept, de andere letters spoedig zullen volgen. Daarom dit essay; uit woede en angst, maar ook in de hoop dat er opnieuw verzet zal komen, dat het iets zal breken.