Dominee Samuel Lam (1924-2013) was zoon van een baptistenpredikant en kwam zelf al op jonge leeftijd bewust tot geloof. Toen de communisten in 1949 de macht grepen in China, onder leiding van Mao Zedong, leidde Lam een gemeente in Guangzhou. In 1955 werd hij voor het eerst gevangengezet, en in 1958 opnieuw. Deze gevangenschap zou twintig jaar duren. Hij werd gearresteerd vanwege zijn weigering zich aan te sluiten bij de overheidskerk, de Drie-Zelfkerk. Hij werd tewerkgesteld in een strafkamp, in een kolenmijn, maar ook daar bleef hij mensen vrijmoedig vertellen over zijn Heer.
Toen hij in 1978 vrijkwam, bleek zijn vrouw gestorven te zijn. Ondanks deze verdrietige gebeurtenis en ondanks de dreiging en tegenwerking vanuit de Chinese overheid, besloot hij meteen opnieuw de kansel op te gaan. ‘Als ik nu toegeef, zouden mijn jaren in gevangenschap vergeefs zijn geweest.’ Zijn huisgemeente in Guangzhou groeide uit tot een levende gemeenschap van meer dan duizend mensen.
‘Hoe zou God ons, mij, kunnen gebruiken, als wij net zo sterk en trouw zouden zijn als Samuel Lam?’ vraagt Anne van der Bijl de lezers in zijn voorwoord.