Aan het begin van zijn wetenschappelijke loopbaan in de filosofie worden Gerard Visser en zijn vrouw Riet in 1980 ouders van hun eerste kind. In het dagboek met overwegingen en observaties dat Visser sinds zijn eerste studiejaren bijhoudt, sijpelen gaandeweg ook de zorgen over Noortje binnen: zij blijft achter in haar ontwikkeling. De fragmenten schetsen de aangrijpende dwaaltocht die volgt – langs artsen, alternatieve genezers en therapeuten – in een poging Noortje te helpen en te begrijpen aan welke ernstige maar onbekende aandoening zij mogelijk lijdt. Met haar doorzettingsvermogen wordt zij de belangrijkste inspiratiebron voor het proefschrift dat Visser tussen 1983 en 1987 schrijft: ‘Ik hoefde maar aan haar te denken en ik wist weer waar het me om ging.’
In een stijl die even literair als bedachtzaam is, biedt Bewonen wat je overkomt een uniek inzicht in hoe het leven de filosofie vormt, terwijl de filosofie houvast biedt voor het leven